Jurjen Tel
Papa, partner, schrijver, wetenschapper, maker —
vooral nieuwsgierig naar wat het betekent om mens te zijn.
Ik heb nooit echt geleerd
om bij één onderwerp te blijven
Ik ben Jurjen Tel. Van alles wat ik ooit dacht, hoopte of droomde te worden, is papa misschien wel het mooiste. De rest kwam minder volgens plan. Ooit werkte ik als immunologisch onderzoeker; tegenwoordig schrijf ik boeken, maak ik dingen en probeer ik nog altijd te begrijpen waarom mensen, lichamen en levens doen wat ze doen. Die nieuwsgierigheid is gebleven, ook op momenten waarop veel andere vanzelfsprekendheden verdwenen.
Mijn leven heeft zich nooit bijzonder netjes aan rechte lijnen gehouden. Er waren omwegen, uitval, verlies en lange perioden waarin het donker dichterbij stond dan mij lief was — en helaas nog vaak staat. Soms is dat donker zo aanwezig dat gewoon blijven deelnemen aan het leven aanzienlijk meer inspanning vraagt dan aan de buitenkant zichtbaar is. Ik schrijf dat niet om medelijden te vragen, maar omdat een lichtere versie van mijn verhaal eenvoudigweg niet waar zou zijn. Gelukkig zijn er ook ankers: mensen, plekken, rituelen en kleine vormen van betekenis die mij steeds opnieuw aan dit hoopje aarde binden. Misschien ben ik daarom minder gaan geloven in vooruitgang als een keurige beweging van A naar B — en des te meer in de Ouroboros: in terugkeer en verandering, in dingen die eindigen zonder helemaal te verdwijnen, en in wat onderweg zichtbaar wordt wanneer je lang genoeg blijft kijken.
Ik ben onderweg nogal wat versies van mezelf tegengekomen.
Geen daarvan bleek de definitieve.
Dicht bij huis
Mijn grootste avontuur

Als je mij vraagt wat werkelijk belangrijk is, kom ik niet als eerste uit bij boeken, wetenschap of schilderijen. Ik kom uit bij mijn vrouw Nina, onze kinderen en onze hond. Van alles wat ik in mijn leven heb mogen zijn, is vader zijn waarschijnlijk het mooiste — en ook het enige waarvoor geen opleiding, publicatielijst of zorgvuldig plan ooit voldoende voorbereiding bleek. Mijn kinderen hebben mijn leven groter, kwetsbaarder en betekenisvoller gemaakt dan ik ooit had kunnen voorzien. En Nina is degene met wie ik dat leven deel: in de mooie jaren, maar ook op momenten waarop het ingewikkeld, zwaar of ronduit oneerlijk wordt.
Ik groeide op in Friesland en Groningen als een polsstokspringende jongen die door de weilanden zwierf, kievitseieren zocht en waarschijnlijk veel minder nadacht over de wereld dan later het geval zou worden. Dat gebeurde binnen een gereformeerde en calvinistische omgeving waarin verantwoordelijkheid, soberheid, doorzetten en flink wêze, net gûlebehoorlijk vanzelfsprekend waren. Daar zat veel waardevols in: trouw, zorg voor elkaar, het idee dat woorden en beloften ertoe doen. Maar er waren ook overtuigingen waarvan ik pas veel later begon te begrijpen hoeveel invloed ze hadden op de ruimte die je jezelf geeft voor twijfel, kwetsbaarheid en pijn. Sommige dingen werden een fundament; andere moest ik opnieuw leren bekijken.
Inmiddels woon ik met mijn gezin in Son en Breugel. Tussen de Friese weilanden en hier ligt een leven dat aanzienlijk minder rechtlijnig verliep dan ik ooit had voorzien: wetenschap, ambitie, reizen, mooie kansen en een paar vriendschappen die veel voor me betekenen, maar ook ziekte, verlies, psychische ontregeling en perioden waarin de wereld kleiner werd dan ik voor mogelijk had gehouden. Juist daardoor is thuis voor mij meer geworden dan een adres. Het zit in samen eten, irritaties en slechte grappen, kinderen die groter worden en steeds meer hun eigen mensen worden, een wandeling met de hond, familie en kleine rituelen waarvan je pas merkt hoeveel ze betekenen wanneer niets meer vanzelfsprekend voelt. Het zit in trots, bezorgdheid, vermoeidheid en liefde die zich zelden netjes laat scheiden. En misschien nog het meest in degene die naast je blijft staan wanneer jij zelf niet goed meer weet hoe je verder moet — niet door alles op te lossen, maar eenvoudigweg door er te zijn.
Misschien zijn dat uiteindelijk de sterkste ankers in een mensenleven: niet de grote verklaringen, prestaties of plannen, maar de mensen van wie je houdt — en voor wie je, ondanks alles, op dit hoopje aarde blijft.
Ik heb nooit bijzonder goed geleerd om mijn belangstelling binnen één vakgebied te houden. Een vraag over het menselijk lichaam kan moeiteloos eindigen bij evolutie, psychologie of filosofie; een oud verhaal bij mythologie, geschiedenis of religie; een artikel over natuurkunde bij kosmologie, tijd of de merkwaardige wereld van de kwantumfysica. Meestal begint het met iets kleins dat blijft haken. Daarna volgt het ene boek het andere en blijkt een eenvoudige vraag ineens verrassend veel verdiepingen te hebben.
Diezelfde nieuwsgierigheid brengt me buiten boeken en wetenschap. Ik kan lang naar een schilderij kijken, verdwalen in muziek, door een museum lopen zonder de route te volgen of tijdens een reis gefascineerd raken door een landschap, gebouw of voorwerp waarvan ik een uur eerder nog niet wist dat het bestond. Fossielen, schelpen, mineralen en andere vreemde vondsten belanden om ongeveer dezelfde reden in mijn kast: ze zijn kleine openingen naar werelden die veel ouder, groter of vreemder zijn dan mijn eigen.
Misschien zoek ik daarbij minder naar antwoorden dan vroeger. Hoe meer ik heb geleerd, hoe duidelijker werd hoeveel zich niet netjes laat oplossen. Dat vind ik inmiddels eerder aantrekkelijk dan frustrerend. Sommige vragen verdienen geen definitief antwoord maar aandacht, tijd en de bereidheid om opnieuw te kijken. Nieuwsgierigheid is daardoor voor mij meer geworden dan belangstelling. Het is een manier om met de wereld verbonden te blijven — juist wanneer die wereld soms moeilijk, overweldigend of onbegrijpelijk voelt.
Een hoofd dat blijft rondkijken
NIEUWSGIERIGHEID ALS RODE DRAAD
Van laboratorium naar schrijftafel en atelier
ONDERZOEKEN IN EEN ANDERE VORM

Jarenlang werkte ik als immunologisch onderzoeker. Ik hield van het laboratorium, van data die niet deden wat je verwachtte, van hypotheses die sneuvelden en van het moment waarop losse observaties ineens samen een patroon begonnen te vormen. Onderzoek gaf me een manier om de wereld uiteen te rafelen en daarna voorzichtig weer in elkaar te zetten. Die neiging bleek zich overigens niet uitsluitend tot cellen en moleculen te beperken. Ooit leek het me bijvoorbeeld een goed idee om een caravan wat op te knappen. Dat liep ongeveer zoals vaker met mijn projecten: eerst een ander kleurtje, dan een wandje, vervolgens de conclusie dat het concept caravan eigenlijk ook wel voor verbetering vatbaar was — en uiteindelijk de gedachte dat ik er net zo goed zelf één kon bouwen. Dus dat deed ik. Van een betrekkelijk overzichtelijk klusje naar een zelfgebouwde caravan is voor mij kennelijk een volkomen redelijke escalatieladder. Met een huis ging het niet heel anders. Een bungalow verbouwen klinkt op papier nog overzichtelijk. In werkelijkheid bleken muren, leidingen, aannemers, onverwachte constructies en een eindeloze reeks beslissingen een tamelijk effectieve stresstest. Voor ik het wist was ik opnieuw veel verder een project ingezogen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Op een van de minder serene momenten zei ik tegen de bouwvakkers dat het maar goed was dat we geen trapgat hadden, omdat ik daar dan tenminste niet meer in kon gaan hangen. Niet iedereen is even goed bestand tegen mijn vorm van bouwbegeleiding.
Achteraf zie ik in zulke projecten ongeveer hetzelfde patroon als in mijn wetenschappelijke werk. Eerst wil ik weten hoe iets in elkaar zit. Daarna waarom het zo in elkaar zit. Vervolgens waarom het eigenlijk niet anders of efficiënter zou kunnen. En voor ik het weet ligt er ergens gereedschap, verf, hout of een halve constructie en ben ik bezig het zelf uit te zoeken. Soms levert dat iets moois op. Soms vooral ervaring. En soms een uitstekend argument om voortaan gewoon iemand te bellen die ervoor heeft doorgeleerd. Mijn gezondheid dwong uiteindelijk een veel grotere koerswijziging af. Chronische lichamelijke ziekte en psychische ontregeling maakten duurzaam werken steeds moeilijker, tot mijn wetenschappelijke loopbaan stilviel. Dat was geen zorgvuldig gekozen overgang en al helemaal geen romantisch besluit om “iets creatiefs” te gaan doen. Er viel veel weg. Wat bleef, was de neiging om te onderzoeken. Schrijven werd aanvankelijk een manier om te begrijpen wat mijzelf was overkomen: trauma, ziekte, stemming, lichaam, geschiedenis. Later groeide dat uit tot boeken waarin wetenschap, persoonlijke ervaring, filosofie en verhalen elkaar mogen ontmoeten zonder dat ze altijd netjes hetzelfde hoeven te zeggen. Ook het atelier ontstond vanuit diezelfde behoefte. Schilderen, tekenen, keramiek, speksteen, breien en andere vormen van maken vragen om een ander soort aandacht dan een wetenschappelijk artikel, maar de nieuwsgierigheid erachter voelt verrassend vertrouwd. Je probeert iets, kijkt wat er gebeurt, gooit weg wat niet werkt, begint opnieuw en ontdekt soms pas achteraf waar je eigenlijk naar op zoek was.
Misschien is dat uiteindelijk de rode draad: ik ben nooit helemaal opgehouden onderzoeker te zijn. Alleen veranderden de materialen. In het lab werkte ik met cellen, data en protocollen. Tegenwoordig werk ik vaker met woorden, olieverf, klei, hout en wol. De neiging om te onderzoeken is eigenlijk dezelfde gebleven. Mijn loopbaan in de wetenschap eindigde eerder dan ik had gedacht. De manier van kijken die ik daar leerde gelukkig niet. Die verhuisde gewoon — soms ordelijk, soms met enige schade aan de omgeving — van het laboratorium naar de schrijftafel, het atelier en alles wat ik onderweg blijkbaar noodzakelijk vond om zelf te bouwen.
Er bestaat een verleidelijk verhaal over tegenslag: iets breekt, je zoekt hulp, je herstelt en uiteindelijk kijk je terug op een moeilijke periode die je sterker heeft gemaakt. Mijn eigen leven heeft zich hardnekkig tegen zo’n keurige herstelboog verzet. C-PTSS, ernstige depressie en terugkerende suïcidaliteit zijn voor mij geen afgesloten hoofdstukken. Daar kwamen de ziekte van Bechterew, chronische pijn, vermoeidheid en tinnitus nog bij — kennelijk vonden lichaam en geest dat samenwerken efficiënter was dan ieder afzonderlijk ellende produceren. Ik heb de medische bingokaart inmiddels aardig vol. Of daar ergens een wellness-upgrade in het hiernamaals tegenover staat weet ik niet; desnoods kom ik terug als hond, zodat ik de hele dag kan liggen, eten en mijn eigen… laat maar.
Soms staan die dingen op de achtergrond. Maar vaak nemen ze zoveel ruimte in dat deelnemen aan het gewone leven aanzienlijk meer inspanning vraagt dan aan de buitenkant zichtbaar is. Behandeling kan helpen, inzicht kan iets draaglijker maken en tijd verandert soms de vorm van wat pijn doet. Maar niet alles verdwijnt omdat je het begrijpt, accepteert of er hard genoeg aan werkt. Kierkegaards bekende gedachte dat het leven achterwaarts begrepen moet worden, maar voorwaarts geleefd, raakt voor mij precies aan dat ongemak. Achteraf kun je patronen zien, verklaringen vinden en woorden geven aan wat er gebeurd is; ondertussen moet je verder zonder te weten hoe het verhaal afloopt. Misschien spreekt Camus mij daarom zo aan. Sisyphus krijgt geen verlossing aangeboden; de steen blijft zwaar en de berg blijft er staan. De vraag is wat een mens doet wanneer hij weet dat hij morgen gewoon weer opnieuw moet duwen. Camus zag juist daar ruimte voor vrijheid: niet doordat het absurde verdwijnt, maar doordat je weigert je bestaan er volledig door te laten bepalen. Op goede dagen kan ik daar iets van begrijpen. Op andere dagen is het vooral vervelend dat die verdomde klotesteen alweer beneden ligt.
Ook Nietzsches amor fati — het liefhebben van je lot — blijft me bezighouden. Niet omdat ik denk dat je ziekte, trauma of wanhoop dankbaar moet omarmen, alsjeblieft niet zeg! Sommige dingen hoef je niet mooi te vinden om te erkennen dat ze inmiddels deel uitmaken van het leven dat van jou is. Voor mij ligt amor fati daarom minder in het verheerlijken van wat pijn doet dan in het langzaam opgeven van de strijd tegen het feit dát het gebeurd is. Dat schrijf ik niet om mijn leven tot ziekteverhaal te maken, en evenmin om medelijden te vragen. Ik ben veel meer dan mijn diagnoses, maar doen alsof ze slechts decor zijn zou net zo oneerlijk zijn. Ze bepalen mede hoeveel energie beschikbaar is, waar grenzen liggen en waarom sommige dagen vooral bestaan uit opnieuw beginnen. De Ouroboros voegt daar voor mij nog een ander beeld aan toe: de slang die haar eigen staart opeet, waarin einde en begin niet netjes van elkaar gescheiden zijn. Niet als belofte dat alles terugkeert naar hoe het was, maar als herinnering dat iets kan eindigen terwijl er tegelijk iets anders ontstaat.
Misschien is dat uiteindelijk de versie van veerkracht waarin ik het meest geloof. Niet de triomfantelijke terugkeer naar wie je vroeger was, maar het vermogen om met een steen, een piep, een lichaam dat protesteert en een hoofd dat soms liever afhaakt toch opnieuw iets van betekenis te vinden. Niet omdat het donker verdwenen is. Maar omdat er, zelfs daar, nog iets kan zijn waarvoor je de berg weer op loopt.
Niet alles wordt lichter
Wat niet in een nette herstelboog past
Ik weet niet waar het pad eindigt.
Maar vandaag ben ik gaan lopen.
